Inhoudelijke informatie
 


Missie en waarden / Visie, objectieven en referentiekader / Het orthopedagogisch model / Bob

 
 

 

Het orthopedagogisch model

Inleiding

Mastenhof is een observatie- en behandelingscentrum voor  jongeren met een gedrags- en/of emotionele problematiek, al dan niet gecombineerd met een licht mentale handicap. Bij deze jongeren, met hun eigen specifieke gezinscontext, -cultuur en -geschiedenis, is het opvoedings- en ontwikkelingsproces zodanig verstoord dat ze nood hebben aan specifiek opvoeden. Om hieraan gestalte te geven hanteren we een orthopedagogisch model.

Acceptatie van elke persoon in zijn eigenheid, ruimte voor zelfbeschikking en emancipatie en kans tot ontwikkeling en groei, zijn de waarden, die vanuit onze humanistische en pluralistische mensvisie de basispijlers van het handelen vormen. Respectvolle bejegening van de gebruiker, respect voor de integriteit en privacy van de gebruiker staan in de totale werking voorop.

Een orthopedagogisch model

De ons toevertrouwde jongeren hebben behoefte aan orthopedagogisch handelen. In het opvoedingsproces dienen zodanige accenten worden gelegd dat aan hun specifieke hulpvraag tegemoet wordt gekomen. Het orthopedagogisch handelen kan over drie sporen rijden.

Het eerste spoor wordt bereden door de opvoed(st)ers, leerkrachten, ouders en al degenen die bij het dagdagelijks opvoedingsproces van de jongeren betrokken zijn. Het ligt m.a.w. in de natuurlijke situatie van de jongere. De opvoed(st)ers (voor het gemak blijven we deze overkoepelende term gebruikten) leggen specifieke klemtonen in het opvoedingsklimaat, de situaties en de opvoedingspresentatie. Het handelen op spoor één kan er al voor een deel voor zorgen dat het verstoorde opvoedingsproces vlot kan worden getrokken. Gezien de ernst van de gedrags- en emotionele problematiek van onze jongeren en complexiteit van hun context, zal spoor één in de meeste gevallen echter niet voldoende zijn.

Handelen op spoor twee dringt zich dan op. Handelen op spoor twee is al meer  ‘behandelen’. We gaan hier gebruik maken van specifieke technieken, methoden en therapieën. Deze kunnen zowel gericht zijn op de jongere zelf, de ouders of andere betrokkenen, zowel op het individu als op een groep. Op spoor twee zijn in de eerste plaats ‘specialisten’ aan het werk. Het gaat om professionelen (uit verschillende disciplines: pedagogisch, sociaal, psychologisch, psychiatrisch) die de technieken en de methoden onder de knie hebben. Soms (b.v. bij gedragsregulerende technieken) zal het nodig zijn deze ook aan personen uit de gezinssituatie aan te leren.

Als we merken dat we ondanks alles vastlopen, dat we (al dan niet tijdelijk en/of gedeeltelijk) niet aan de hulpvraag van de jongere en zijn/haar context kunnen tegemoet komen, kunnen we overgaan naar handelen op spoor drie. We doen hier een beroep op externen.

 

Handelen op spoor één


Op spoor één gaan we de dagdagelijkse opvoedingsituatie zo inrichten (letterlijk en figuurlijk) dat aan de basishulpvraag van de ons toevertrouwde jongeren kan worden beantwoord. Het verdient sterk de voorkeur dat de accenten van het eerste spoor in alle opvoedingssituaties waarin de jongere verblijft, dus zowel in de leefgroep, de thuissituatie, leergroep en de school, worden gelegd. We zullen als professionele opvoed(st)ers met de ouders (en de leerkrachten) een eind op weg moeten gaan en ze wegwijs maken in de accenten van spoor één. Psycho-educatie en 'parent-management-training' tijdens gesprekken kunnen daarbij aangewezen methoden zijn.

Jongeren met gedrags- en emotionele problemen hebben nood aan een veilig en gestructureerd opvoedingsklimaat. Ze behoeven een omgeving waarin ze zich geborgen en beschermd voelen, waar ze begrensd worden maar tevens experimenteerruimte krijgen. Deze jongeren gedijen best als ze geconfronteerd worden met eenvoudige en voorspelbare, maar tevens stimulerende en uitdagende situaties. Zo krijgen ze de kans om succeservaringen op te doen, die de bouwstenen voor een groter zelfvertrouwen en een positiever zelfbeeld kunnen vormen.

De manier waarop we de jongeren en de personen in hun omgeving benaderen is van kapitaal belang voor het welslagen van de hulpverlening. Deze wijze van benadering wordt ook de opvoederspresentatie genoemd. We presenteren ons in de eerste plaats als ‘mens’. Een persoon die fungeert als model, die mogelijkheden maar ook beperkingen heeft, deze onderkent en voorleeft hoe je hiermee kan omgaan.

 

Accentuering van het klimaat


Om aan een veilig en gestructureerd klimaat vorm te geven zullen we in de eerste plaats de ‘acceptatie van de persoon’ moeten realiseren. De ons toevertrouwde minderjarigen kampen vaak met een afwijzingsproblematiek en doen vaak al het mogelijke om terug afwijzing (en dit staat diametraal tegenover acceptatie) uit te lokken. Het is  niet gemakkelijk om achter de mist van het probleemgedrag, de hulpvragende en naar aanvaarding snakkende jongere te blijven zien. Acceptatie wil ook niet zeggen dat we alles moeten goedkeuren wat de jongere (of een persoon in zijn omgeving) doet. We maken een onderscheid tussen de persoon en het gedrag. Gedrag kan worden goed- of afgekeurd, de persoon erachter blijven  we, ten allen tijde, respecteren. Om hieraan gestalte te geven maken we vooral gebruik van aangepaste communicatiestijlen, zoals actief luisteren en ik - boodschappen. Op die manier maken we de acceptatie tastbaar en zetten we al een grote stap in de richting naar een veilig en geborgenheid gevend klimaat.

Het opvoedingsklimaat dat we creëren dient, ten behoeve van onze bewoners, tevens gestructureerd te zijn. Deze structuur concretiseert zich vooreerst in de ruimte: een overzichtelijke en nette omgeving, waar alles zijn vaste plaats heeft.  Een vast ritme (per dag, per week) en planning vormen de tijdsstructuur. Het geven van éénduidige boodschappen, het formuleren van duidelijke verwachtingen naar de jongeren toe, maken eveneens mee de structuur.

 

Hanteren van situaties


Het hanteren van situaties refereert aan de cognitieve component binnen spoor één en kan verschillende vormen aannemen. Onze jongeren hebben enerzijds vooral nood aan eenvoudige en voorspelbare situaties, anderzijds moeten ze voldoende uitgedaagd worden en kansen krijgen hun ‘actieradius ‘ te vergroten. Voorspelbare situaties refereren terug aan het gestructureerd klimaat zoals hoger beschreven. Structuur in tijd en verwachtingspatroon maken de situaties waar onze jongeren mee te maken hebben, overzichtelijk en voorspelbaar en geven een gevoel van veiligheid.

Eenvoudige situaties aanbieden kan ook betekenen dat we de jongere tijdelijk aanspreken op een lager niveau dan ze in wezen (volgens leeftijd en intrinsieke mogelijkheden) zouden aankunnen. We zullen ze bijvoorbeeld tijdelijk niet naar school laten gaan, maar de kans geven binnen de leergroep succeservaringen op te doen.

Situaties worden ook eenvoudig en voorspelbaar als ze ‘geprogrammeerd’ worden. Hieronder verstaan we, dat we de situatie opdelen in deelsituaties en achtereenvolgens die kleine stapjes – en de daarbij horende verwachtingen – aan de jongere aanbieden. Vanaf het moment dat de jongere aan de verwachtingen binnen eenvoudige en voorspelbare situaties beantwoorden, gaan we deze variëren. Nog steeds volgens het principe van de geleidelijkheid bieden we hen experimenteerruimte aan om ‘moeilijker situaties’ met hogere verwachtingen te verkennen. Dit alles wordt voor een groot deel geconcretiseerd in het gehanteerde fasesysteem.

 

Opvoederspresentatie


Als opvoed(st)er (en daarmee bedoelen we elke volwassene binnen het centrum) leven we de waarden voor die we in onze mensvisie voorstaan. We presenteren ons in de eerste plaats als mens, waaraan de jongere zich kan ontwikkelen. De volwassene fungeert als model, heeft een voorbeeldfunctie voor de jongere. De opvoed(st)er is ook degene die gestalte geeft aan het klimaat, die grenzen aangeeft en ruimte schept. Door contingent te reageren op het gedrag van de jongere, schept de opvoed(st)er duidelijkheid en creëert hij/zij ontwikkelingskansen.

Opvoedingsvaardigheden die deze benadering concretiseren zijn:

  • Positieve betrokkenheid
  • Positieve bekrachtiging
  • Interpersoonlijke probleemoplossing
  • Discipline
  • Overzicht houden

 

Handelen op spoor twee

Als we er in slagen binnen het dagdagelijkse handelen de accenten van spoor één op een adequate manier te leggen, is de kans groot dat we al aan een groot deel van de hulpvraag van onze jongeren tegemoet komen. De eerste stap naar het doorbreken van de problematische opvoedingssituatie is dan gezet. In vele gevallen echter zal het handelen op spoor één alleen, niet voldoende zijn. De gedrags- en/of emotionele problemen kunnen zo hardnekkig zijn dat er meer nodig is. Eventueel bijkomende mentale beperkingen kunnen er tevens voor zorgen dat een nog explicieter handelen zich opdringt. We gaan dan over naar het handelen op spoor twee.

Op dit spoor gaan we gebruik maken van specifieke technieken en therapieën. Deze technieken en therapieën kunnen zowel in de leefgroep als individueel worden toegepast. Ze kunnen zowel gericht zijn op de jongere zelf, op zijn omgeving, als op beiden. Ze kunnen van medisch-psychiatrische, psychologische- psychotherapeutische, sociale en/of pedagogische aard zijn. De keuze van de technieken en therapieën wordt gestuurd door de individuele noden van de jongere zelf en die van zijn context. Ze worden geëxpliciteerd in het handelingsplan.

Als gedragsmodificerende technieken denken we bijvoorbeeld aan methoden uit de gedragstherapie zoals: time-out, token-economy-system ( gedragskaart), schema's voor problem-solving (ABC schema's, checklist), sociale vaardigheidstraining ….

Uit medisch psychiatrische hoek kennen we het toedienen van medicatie als handelen op spoor twee. Methoden uit de communicatietheorie of vanuit contextuele en/of systeemtheoretische invalshoek, kunnen een plaats krijgen binnen gesprekken met de psycholo(o)g(e), de psychiater of gezinsbegeleid(st)er.

Handelen op spoor drie

Als we er binnen Mastenhof niet in slagen om geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag van de jongere en zijn omgeving tegemoet te komen, kunnen we in sommige gevallen een beroep doen op externen. We gaan dan over tot handelen op spoor drie.

Zo kan het soms aangewezen zijn een ambulante therapie op te starten buiten het OBC. De jongere blijft dan opgenomen in ons centrum, maar gaat op geregelde tijdstippen naar een externe dienst. In andere gevallen gebeurt het dat we met een jongere of zijn ouders in een zodanige ‘patstelling’ komen, dat tussenkomst van de verwijzende instantie wenselijk is.

 

Erkend en gesubsidieerd door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap